Consequenties van geen anoniem aandelenkapitaal en geen vreemd vermogen voor een onderneming




In onze westerse markteconomie legt een ondernemer, als hij geen (blijvend) beroep wil doen op vreemd vermogen, zich aanzienlijke beperkingen op ten aanzien van zijn financieringsmogelijkheden omdat hij dan alleen additioneel eigen vermogen kan aantrekken. Als het een onderneming betreft die zo’n omvang heeft dat de onderneming op de beurs genoteerd zou kunnen zijn en wil hij geen anoniem aandelenkapitaal accepteren dan worden zijn financierings mogelijkheden nog verder beperkt.

eigen vermogenIn de jaren 1966-1980 daalde het eigen vermogen van aan de beurs genoteerde industriŽle ondernemingen van 44 % tot 22 %. Sindsdien is het aandeel eigen vermogen weer toegenomen. De volgende ontwikkelingen hebben volgens de Raad voor het midden- en klein bedrijf bijgedragen tot de dalende omvang van het eigen vermogen: Het fiscale systeem maakt het aantrekkelijker met vreemd vermogen te financieren.

Rente wordt als kosten aangemerkt en is fiscaal aftrekbaar. Velen zijn van mening dat door de inflatie het financieren met vreemd vermogen voordeliger is. De aflossing vindt plaats met geÔnfleerde eur's. Een keerzijde van de inflatoire ontwikkeling is onder meer de stijging van de vervangings prijzen van duurzame activa. Mede hierdoor is er steeds meer vermogen nodig.

Besparingen vinden in Nederland grotendeels collectief plaats via levensverzekeringsmaatschappijen, pensioen- en sociale fondsen. Deze intermediairs zijn in het algemeen weinig geneigd de hun toevertrouwde gelden te beleggen in risico dragend vermogen.De door de stijgende lonen noodzakelijke vervanging van de factor arbeid door kapitaal, de steeds hogere eisen die aan de eindprodukten gesteld worden, de voor de continuÔteit noodzakelijke handhaving van haar marktaandeel en de lagere produktiekosten bij hogere produktie niveaus (economy of scale) leiden tot een financieringsbehoefte bij de ondernemingen die de afschrijvingen overtreffen.

Dit doet de vraag rijzen of een ondernemer die geen gebruik wenst te maken van vreemd vermogen en anoniem aandelenkapitaal wel voldoende financiŽle mogelijkheden heeft om de voor hem relevante technologische ontwikkelingen te kunnen volgen. Zet de ondernemer die geen vreemd vermogen en geen anoniem aandelen kapitaal wil accepteren de continuÔteit van zijn onderneming niet op het spel. Bij de beantwoording van deze vraag willen wij aandacht schenken aan enige onderzoeken alsmede eigen ervaring betreffende de verschillen tussen het groot-, midden-en klein bedrijf voor wat betreft de volgende factoren

inventies, innovaties en research inspanningen in relatie tot de ondernemings-grootte;
innovaties, vreemd vermogen en ondernemingsgrootte;
kredietstructuur en rendement;
conjuncturele fluctuaties in het ondernemingsresultaat in relatie tot de kapitaalin-tensiviteit;
human capital.

Inventies, innovaties, research-inspanningen en ondernemingsgrootte

Bij het nadenken over inventies, innovaties en research-inspanning moeten we ons realiseren dat de infrastructuur nodig voor het maximaal tot stand komen van innovaties niet alleen per regio en land maar ook in de drie grote industriŽle gebieden, Europa, USA en Japan verschillend is. Rothwell e.a. merkt over deze verschillen op dat Europa een vooraanstaande traditie op het gebied van wetenschappelijke research heeft en zowel in het verleden als thans zeer innovatief is. Dit heeft tot een groot aantal "technology-push" innovaties geleid. In Europa vindt men in het algemeen een houding die meer op zelfbescherming dan op het nemen van grotere risico’s is gericht. Het ontbreken van een grote geografische en sociale mobiliteit is niet bevorderend voor het innovatieve klimaat. Ook is er in Europa geen optimale samenwerking tussen de overheden en de industrie. De USA is een relatief jonge natie met een fundamenteel zeer optimistisch toekomstbeeld. Er leeft een groot geloof in de superioriteit van de markteconomie.

Great American DreamInnovaties in de USA zijn dan ook hoofdzakelijk van het"market-pull" type. De geografische en sociale mobiliteit hebben een positieve invloed op het innovatief klimaat. Ook het streven van de USA naar het leiderschap op strategische gebieden werkt innovatief bevorderend. In dit verband moet ook opgemerkt worden dat het veel geld verdienen als onderdeel van de "Great American Dream" een voedingsbodem is voor individualisme, innovaties en ondernemerschap. In Japan werken industrie, handel en overheid nauw samen. De relaties tussen deze drie zijn goed. Het vermogen van de Japanners op elk niveau goed te coŲrdineren alsmede het beschermen van de eigen industrie vinden hun oorsprong in de Japanse cultuur.

Het gericht zijn op de ontwikkeling van de eigen markt heeft tot "market-pull" innovaties geleid. Door de wens een belangrijke industriŽle positie op wereldniveau in te nemen heeft Japan steeds meer aandacht voor wetenschappelijke research. De grote loyaliteitten aanzien van de onderneming waar men werkt gecombineerd met goede interne communicatie en het hoge opleidingsniveau in Japan zijn een zeer goede basis voor een innovatief klimaat. De economische theorie heeft reeds in het begin van deze eeuw aandacht geschonken aan markttheorieŽn en ondernemingsgrootte. Bekende auteurs zoals Joan Robinson en Edward Chamberlin, die beiden in 1933 een boek over dit onderwerp publiceerden, maakten gebruik van statische modellen. In het begin van de 50-er jaren zijnde dynamische modellen geÔntroduceerd.

In deze theorieŽn wordt veel aandacht geschonken aan technische ontwikkelingen,innovaties en research en development. Het verschil tussen inventie en innovatie wordtdoor Prakke e.a., in een OECD-studie, als volgt gedefinieerd:"Invention, for its part, differs from innovation in that it becomes innovation only when it is crystallised in a product accepted by the market and widely sold." Anderen daarentegen spreken reeds van een innovatie als een nieuwe produktiefunctie in minstens ťťn onderneming toegepast wordt. Aan de introductie van innovaties gaat in het algemeen een proces van inventie en vergaren van technische kennis, zo-wel binnen als buiten de onderneming, vooraf.

wetenschappelijke kennisUit studies, onder andere van Solow, blijkt dat een groot deel van de produktiviteitsontwikkeling niet uit de toegenomen kapitaal intensiviteit verklaard kan worden. Dit heeft er toe geleid dat er de laatste decennia een groot aantal onderzoeken uitgevoerd zijn naar de relatie marktstructuur, inventies, innovaties en R&D uitgaven. Rosenberg, die veel onderzoek aan het proces van technische kennisverwerving heeft gedaan, is van mening dat vele technologische doorbraken min of meer toevallig totstand komen. Het belang van een inventie is niet te voorspellen en volgens Rosenberg ook niet verbonden aan het doen van fundamenteel onderzoek. Hij wijst er op dat Jansky dacht dat hij met toegepast onderzoek bezig was, toen hij de principes van de radio-astronomie ontdekte. Rosenberg betoogt dat het tot stand komen van belangrijk inventies onvoorspelbaar is, omdat zij als onverwachte resultaten van experimenten ontstaan.

Pas na het experimentele resultaat wordt eventueel de wetenschappelijke kennis geleverd om het resultaat te verklaren. Voorwaarde hiervoor is wel, dat het buitengewone experimentele resultaat niet ter zijde wordt geschoven, maar dat er verder onderzoek volgt. Het is ook mogelijk dat men in het experimentele stadium blijft steken en bepaalde experimenteel aangetoonde verbanden nooit wetenschappelijk bewezen worden. Zo werkt de vliegtuigindustrie, volgens Rosenberg, met experimenteel verkregen kennis over optimale ontwerpen van vliegtuigen, omdat er nog geen wetenschappelijke theorieŽn over turbulentie en compressie bestaan. Uit het voorgaande mag niet de conclusie getrokken worden dat alleen in nieuwe technologie vooruitgang is te bespeuren. Oude technologie kan zich taai verzetten tegen de opmars van nieuwe technologie. In het algemeen zullen nieuwe technologieŽn zich geleidelijk doorzetten. Bekend zijn het nog lange tijd naast elkaar toepassen van zeilschepen en stoomschepen. Ook bij de introductie van de bij produktkooksovens en de continu gloei oven in de staalindustrie heeft het meer dan 30 jaar geduurd voordat de belangrijkste staalondernemingen dit proces toepasten.

De introductie van het breedband walsproces daarentegen is, gezien de belangrijke voordelen op het gebied van de kwaliteitsbeheersing, het significant betere plaat oppervlak, de beter te beheersen toleranties, de lagere kostprijs etc. zeer snel gegaan. Reeds na ruim ťťn decenniumpasten alle belangrijke staalondernemingen het breedbandproces toe. Aan mogelijke verschillen van research-inspanning tussen het groot-, midden- en kleinbedrijf is niet alleen internationaal maar ook in Nederland de laatste tijd veel aandacht besteed. Uit een onderzoek van Kleinknecht blijkt dat er ook in Nederland geen lineair verband bestaat tussen research-intensiteit en ondernemings-grootte. Kleine ondernemingen blijken weinig aan R&D te doen. Als kleine ondernemingen echter aan R&D doen dan is hun intensiteit zeker niet geringer dan die van de grote ondernemingen. Deze trend verandert niet als ook de externe R&D in de beschouwing betrokken wordt.

In de USA wordt ongeveer 50 % van de industriŽle research- en ontwikkelingskostendoor 70 ŗ 80 grote ondernemingen uitgegeven. Hetzelfde beeld geldt ook voor de Britse industrie. Dit leidt vaak tot de gedachte dat alleen grote ondernemingen aan research doen en dat alleen de ondernemingen die met grote laboratoria werken verantwoordelijk zijn voor het grootste deel voor de technische innovaties. In de praktijk blijkt deze conclusie niet juist te zijn. Er zijn deze eeuw veel belangrijke innovaties tot stand gekomen, zowel door grote als kleine ondernemingen die beiden relatief kleine research activiteiten hadden. In dit verband kan het continu gieten en warmwalsen van breedband in ťťn proces-gang in de staalindustrie, het cellophane-tape en de airconditioning genoemd worden. Veel research-mensen werken het liefst alleen en zien teamwork als "second best".

Jewkes e.a. merkt in dit verband op: "Many of the most inventive spirits have confessed a constitutional aversion to co-operation. "I am a horse for single harness", wrote Einstein "and not cutout for landau or team work". Nor must it be overlooked that the members of a team must always go the same way; that the strength of a team may be determined by its weakest link; that friction even in small groups of men with original powers of mind is not uncommon; that all co-operation consumes time; and that a large team is essentially a committee and thereby suffers from the habit, common to all committees but specially harmful where research is concerned, of brushing aside hunches and intuitions in favour of ideas that can be more systematically articulated". Uit diverse publicaties blijkt dat er grote verschillen zijn in research-uitgaven. Er zijn niet alleen grote verschillen tussen de diverse branches maar ook binnen de branches.